diederique 2016

2016, rondjes in Noordwest-Europa

2016, de eerste grote tocht. We maken een “8” door Noord-West Europa.

Vol met plannen gooien we eind april los. Op het achterdek prijken een paar bakken met kruiden; wat extra verse smaak de komende weken, uit eigen tuin. We willen via Brabant –deel van de roots- richting België op weg naar de Saône. De terugweg loopt na de Saône, de Vogezen en de Moezel in een grote bocht naar huis. Daar beginnen we een paar weken later aan de tweede helft van de “8”; een rondje Nederland. Het is een mooie dag als we wegvaren, de eerste na dagen wisselvalligheid. De verwachtingen zijn wisselend; zeker voor het weekend rondom Koningsdag. Varend langs Eindhoven kunnen we het niet weerstaan. We stoppen om onze jongste kleinzoon nog een knuffel te geven. Terwijl we een stukje met hem in de wagen lopen, ontlaadt zich een gigantische hagelbui. Het lukt maar net om de kleine jongen vrij te houden van de overvloed aan hagel op zijn kinderwagen. In een afwisseling van buien, hagel en stevige opklaringen zakken we de dagen daarna af naar het zuiden. Het Wilhelminakanaal en de Zuid-Willemsvaart delen we met de beroepsvaart. Op onoverzichtelijke stukken gebruiken we de AIS –die altijd bijstaat op “ontvangen”-  om ook zendend onze aanwezigheid bij  andere vaarweggebruikers te melden. Het bevalt goed –gevoel van veiligheid- en blijven het verder doen. In de loop van het jaar merken we dat het ook in gebieden met blokkanalen bijdraagt aan de veiligheid. Om de beurt varen we een stuk, zodat we afwisselend, ook thee, koffie en brood kunnen maken, de route voorbereiden en waar nodig even mee kijken. De plantenbakken moeten regelmatig even van het teveel aan water worden ontdaan. Als we in Bocholt wakker worden op Koningsdag ligt het dek vol sneeuw. Het frame van het voorluik is bevroren; de condens van onze nachtelijke uitademing. Het is toch kouder dan we dachten. Het blijft een afwisseling van nattigheid en schrale droge periodes de dagen erna; we hebben het er maar mee te doen. Via Herstal en Klein Willebroek varen we richting Brussel en Charleroi. Komend vanaf de Rupel richting de sluis bij Klein Willebroek maken we een verkeerde inschatting. Alleen met heel veel motorgeweld en bijsturen weten we de dwarsstroom te compenseren en komen recht in de sluis uit; leerpuntje. Het varen door Brussel is bijzonder. Terwijl langzaam de grootte en het aantal beroepsvaarders afneemt –het water wordt steeds smaller- vaar je de stad in. Opeens vaar je door wijken als Molenbeek. De recente aanslagen nog in het achterhoofd, geeft het een bijzonder gevoel. Zo varend door de stad, eerder hadden we dat ook in een stad als Lyon, valt de stedelijke architectuur en kunst op. Talloze viaducten en kademuren zijn voorzien van metershoge muurschilderingen vol kleur. Fraai kun je het niet noemen, alle resten van wat ooit industriële trots is geweest. Toch heeft het wel iets, bijna kunstzinnig, deze karkassen van het industriële verleden. We kwamen ze  her en der op onze reis noordwaarts door Europa in 2015 met de zeilboot ook al tegen. Het intrigeert, de zichtbare teloorgang van de ooit fiere fabrieken en complexen. Nauwelijks Brussel voorbij komen we tot de ontdekking dat voorbereiding van je vaartocht ook op binnenwater een noodzaak is. Met verbazing horen we in de sluis, dat ons geplande traject via de Sambre naar Parijs nog steeds niet mogelijk is. Naïef, ervaren met stremmingen, waren we er vanuit gegaan dat die mededeling op de kaart inmiddels wel vervallen zou zijn. Niet dus. We beraden ons, gaan we via de Oost –de Maas en het Canal des Ardennes- of via de West –Schelde en Canal du Nord- naar Parijs. Belust op natuurschoon kiezen we voor de oostroute. Een knap staaltje van waterbouwtechniek en mechanica, het hellend vlak van Ronquieres. België heeft een aantal van deze wonderen gebouwd. Er is weinig vaart als we de grote bak in varen. Helemaal alleen worden we in de grote klotsende bak met honderden wielen over een rail naar boven getrokken. Het vraagt wat extra lijnen en steviger knoopwerk om te voorkomen dat we alle kanten uitschieten. Terwijl we genieten van onze koffie en we tientallen meters hoogteverschil overbruggen, verbreedt de horizon achter ons zich steeds verder. De rust op het water verbaast ons. De meeste sluizen varen we alleen of met hooguit één ander. Ook de Maas is rustig qua mede en tegenliggers. Ten opzichte van onze ervaring in 2015 toen we in twee maanden van Port St Louise bij de monding van de Rhône naar Numansdorp voeren, valt het ons wel op hoeveel sneller en harder de Maas dit voorjaar stroomt. Vorig jaar hadden we hem noordwaarts mee, nu moeten we er tegenin ploeteren. Dag na dag varen we gestaag door tot de afslag naar het Canal des Ardennes. Hoewel we steeds zuidelijker komen, verbetert het weer zich niet. De periodes met een bleek zonnetje wisselen af met druilerige dagen. Echt warm is het maar zelden. De plantenbakken baden nog steeds in overvloed; water. Eenmaal door de sluis bij Pont A Bar neemt zelfs de allerlaatste scheepvaart af. Een praatje met een ander, zo af en toe, ontbreekt, we genieten alleen –echt alleen- van de pure rust en de ontluikende natuur om ons heen. Een bleek ochtendzonnetje warmt het water wat op. Terwijl we zacht vooruit dobberen op het Canal des Ardennes, zie ik naast me een Roodwangschildpad op een tak. De Roodwang, moerasschildpad, komt van nature in Europa niet in het wild voor. Er zijn er in de afgelopen jaren zoveel met bak en al in de natuur uitgezet door kinderen en vooral hun ouders die een logeeradres zochten, dat het inmiddels een “vaste” bewoner is geworden. Terwijl de boot voort glijdt genieten we van de rust waarmee dit exemplaar geniet. Koesterend in de zon op een boomstronk in het water schrikt ie nergens meer van. Op een nevelige ochtend varen we de sluizentrap van Montgon. Een stevige klus, 27 sluizen in 9 kilometer, iedere stap naar beneden levert ons een nieuw stukje Noord Frans vergezicht. Een van de topstukken in de Franse kanalen zijn toch wel de sluizentrappen. Een vinding, vaak uit uit de 19 e  eeuw, om de heuvelruggen tussen de stroomgebieden waar de kanalen en rivieren door heen gaan te overbruggen. 27 sluizen moeten we passeren in de trap van Montgon. Doorgaans staat er een dag voor gepland. Wij hebben geluk en doen het door de extreme rust op het water in een paar uur. Telkens als je de sluis uit vaart, springt de volgende een paar honderd meter verder al weer op groen; welkom. Het is heel verrassend om, om iedere hoek je weer drie meter lager te bevinden en steeds opnieuw een ander vergezicht voorgeschoteld te krijgen. Via het Canal Lateral a L’Aisne en het Canal de L’Aisne a la Marne komen we uit in Reims. We bevinden ons midden in de Champagne streek. Een bezoek aan een van de Champagnehuizen, Taittinger, ontbreekt niet op het programma. Als we een paar dagen later weer verder trekken zien we afgezien van de gelijknamige “huizen” niets dat verwijst naar de goddelijke drank. We liggen nog maar nauwelijks voor de wal als een onbekende man aan boord stapt. We zijn nog bezig met aanleggen, maar dat is kennelijk niet waar hij voor komt. Met wat geduw en getrek werken we hem weer terug de wal op. Hij blijft nog even aandringen voor hij zich 50 meter verder posteert. Als Christien er de havenmeester/VVV medewerker over vertelt verschiet ze van kleur. De dag daarvoor is zij door dezelfde man lastiggevallen. Eigenlijk dacht ze en hoopte ze dat de man in het stadsgewoel van Reims was verdwenen. Hevig geschrokken belt ze de politie die even later met 4 man sterk op de man afstapt. Een hoop overleg en  geduw volgt. Na een tijd verdwijnt de man,naar een bankje wat verder van ons weg. De politie geeft aan dat de man vooral agressief wordt als vrouwen hem de weg versperren. Hebben wij weer. We krijgen het rechtstreekse nummer van het bureau, voor als het nog eens gebeurt.  Het is inmiddels midden mei, de rust op het water verrast ons nog steeds ieder dag. Pas tegen Parijs komen we weer een Nederlandse motorboot tegen. De haven Arsenal in Parijs is een van de weinige mogelijkheden voor een bezoek rechtstreeks in het centrum. De haven is berucht.  Je kunt er moeilijk aan voorbij gaan. Parijs is voor ons op de route naar het zuiden een ankerpunt. De verhalen over de mogelijkheid een plek te krijgen zijn wisselend. We lezen her en der de ervaring dat vroeg reserveren geen oplossing biedt. De vraag is groot, het aanbod hartje centrum is heel beperkt en fluctueert naar mate er vaste plekken vrij zijn. Toch wagen we het erop. Een paar dagen vooraf vullen we het reserveringsformulier in; geen reactie. De ochtend voor aankomst sturen we een mail; weer geen reactie. Desondanks besluiten we die richting in te gaan. De plek waar we de nacht hebben doorgebracht staat ook maar een verblijf van een beperkt aantal dagen toe. Een half uur voor aankomst roepen we ze op. Vol, geen plek. Wat dan wel? Duidelijk, zo blijkt uit het antwoord, niet hun grootste probleem. Een illusie armer keren we om en ploegen ons tegen de snelstromende rivier in, terug een baan naar het zuiden. Er zit niets anders op, het loopt inmiddels tegen zessen, dan de nacht door te brengen aan een handelskade pal aan de rivier. Toch wat anders dan luxueus in het centrum aan een steiger. Het is iedere dag opnieuw fascinerend hoe het landschap telkens weer tijdens de hele reis wijzigt en, zeker in het voorjaar, iedere dag opnieuw verder verkleurt in duizend groentinten. Wat zijn we met onze jarenlange zwerftocht buiten het continent toch veel vergeten van de betoverende binnenkant van Noordwest Europa.  Zeker bij de sluizen vraagt het manoeuvreren op de tegenstroom behoorlijk wat aandacht. Hoewel er regelmatig warmere zonnige dagen zijn, hebben de dagen met hoosbuien de overhand. De rivieren moeten behoorlijk hun best doen al het gevallen water af te voeren. Tonnen water worden via de stuwen afgevoerd naar de mond van de rivier. Er tegenin gaan vraagt listig varen. Na het tijdenlang via de ene binnenbocht naar de andere binnenbocht stroomopwaarts klauwen, kent het beeld vlak voor de sluis en de stuw meer verrassingen. Een onvoorzien geheel –ieder sluis is anders- van felle mee en tegenlopende stromen maakt de aanloop naar de sluizen lastig. Regelmatig worden we verrast door de onverwachte waterbewegingen. Pas op het laatste stuk, als de sluismuren de stroom scheiden van de bulderende massa’s die over de stuw naar beneden vallen, is het beter te voorspellen. De “landing” in de sluis kan worden ingezet.  We slaan af naar de Yonne en bereiken na een aantal dagen het Canal du Bourgogne, een van de mooiste –maar ook drukste- kanalen van Frankrijk. De volgende dag horen we dat de vaart op een groot aantal rivieren “achter ons”  –Seine, Marne, Yonne, Maas, - gestremd is vanwege de overvloedige rivierafvoer. De plantenbakken kunnen het water inmiddels ook niet meer aan. Ze stromen over, meer past er niet in. Wat kan een mens vastlopen in illusies. Dromen over het varen in Frankrijk is voor ons beide toch ook, naast pain & boursin, dromen over wijn. Wat is logischer dan, varend door de wijnstreken, te verwachten dat je met de gangboorden schuurt langs de wijngaarden. Dromen van die typische “wijnbouw”tractoren, rijdend over de sluis waarin je ligt. Het is dat er in Friesland minder heuvels en kastelen zijn, maar je zou gezien al het gras en de koeien die we tegenkomen in de wijnstreken die we aan doen –Champagne, Bourgogne- jezelf bijna in eigen land wanen. We komen wat dat betreft bedrogen uit met de wijngaarden, die naar verluidt “achter de volgende berg” liggen.  Eigenlijk leren we nu pas -2015 was kennelijk een voor ons positieve uitzondering- een verband te zien tussen de hoeveelheid neerslag en het effect daarvan op de riviercondities. Dagen achter elkaar varen we over het Canal de Bourgogne. De parallel lopende rivieren en beken staan duidelijk extreem hoog. Op veel plaatsen staat de rivier zelfs buiten haar oevers. Ook het kanaal zelf staat hoog, soms staat het zelfs binnen de sluizen tot over de rand van de kademuur. Het is wat drukker dan we tot nu toe gewend waren, vooral huurboten en hotelschepen maken hier de dienst uit. Frankrijk wordt tussen de stroomgebieden van de Seine en de Saône/ Rhône van noordwest naar zuidoost doorsneden door een aantal kanalen. Een ingewikkeld stelsel van honderden sluizen en een aantal tunnels maakt het mogelijk de heuvels te doorsnijden. Het Canal de Bourgogne, een van deze verbindingen, geniet de faam het mooiste van allen te zijn. Het landschap, de dorpjes, de abdijen en kastelen en vooral de keuken en de wijn, stuk voor stuk ingrediënten voor deze faam. Al varend, je wordt geacht circa drie weken voor het kanaal uit te trekken, raken wij niet echt onder de indruk. Natuurlijk, het eten is lekker, het landschap mooi, maar de slechte staat van onderhoud van de sluizen en de kribbige bureaucratische opstelling van sommige sluismedewerkers –met name op het zuidoostelijk gedeelte- geven de indruk van een “over het paard” getilde melkkoe. Kennelijk hoef je als er toch zoveel huur en hotelboten komen, voor bemensing van de kunstwerken en het onderhoud van sluizen en vaarwegen niet veel meer uit te trekken. Mythe ontkracht wat ons betreft. Eigenlijk willen we in Dijon een paar dagen blijven aan een steiger met water en stroom. We hebben pech, door de moeizame watercondities zijn er nog veel schepen blijven liggen op hun vaste plek. Waar we ook kijken er is, behalve voor hotelschepen, nergens plaats. Aan de overkant van de stad, aan een kade zonder water of stroom, leggen we de boot vast. Geen beletsel om de stad verder aan te doen. Het extreme weer en de massieve regen hebben een overvloed aan jonge bladeren en twijgen in het  water achter gelaten. Zeker op de vrijwel stilstaande kanalen levert dat een massief groen pakket op waar je maar met moeite doorheen komt. De snelheid loopt gestaag terug. Ik doe er wat toeren bij. Het helpt weinig, de snelheid loopt steeds verder terug. Er zit niets anders op. Gas eraf- stevig achteruit slaan- neutraal en weer stevig voor uit. Als het goed is kan ik dan weer wat gas terug nemen en loopt de boot weer een paar minuten gewoon door. De blender, het ronddraaiende mes op de schroefas, we hebben hem een paar keer per uur nodig. Iedere keer weer met als resultaat dat we een dikke prop blad, twijgen en waterplanten fijn gehakt achter ons kunnen laten. Aan het eind van het Canal de Bourgogne, bij St Jean de Losne, na weer twee dagen van nauwelijks bevaarbaar groen water, gaan we weer noordwaarts, de Saône op. Het plan om af te zakken naar Chalon laten we schieten. Ver noordelijk van ons is de Maas nog gestremd. Naïef als we zijn, gaan we ervan uit dat dat binnenkort wel opgelost zal zijn. Een doffe bons houdt ons uit onze slaap. In nachtpon, hangend over de reling, zie ik wie de veroorzaker is. Met moeite duw ik met de pikhaak de stronk de rivier weer op. Ik wens haar een behouden vaart. Een uur later, weer dobbert en schavielt een stuk boom tegen de boot. De geschiedenis herhaalt zich, ik duw de stronk het wilde water weer op. Als ik de volgende ochtend het voortdurend gebonk aan een nadere inspectie onderwerp kom ik “mijn” stronk weer tegen. Met nog minstens een dag te gaan voor de wal, leg ik er maar even een touwtje om, wat verder van onze romp. Kennelijk hebben we teveel aantrekkingskracht.  De Saône valt tegen, niet qua landschap, maar qua stroomsnelheid. Toen we een jaar eerder, juni 2015, omhoog voeren hadden we te maken met een nauwelijks merkbare tegenstroom. Dat is nu toch anders. De rivier, vorig jaar nog een zachtstromende meanderende parkrivier, drijft vol met takken en stronken; voortdurend opletten dus. Een dag lang ploegen we noordwaarts voor we voor de nacht in een afleidingskanaal achter de sluis aanleggen.Een blik op teletekst leert al snel wat we al vreesden; de Saône –en de meeste rivieren en kanalen noordelijk van ons- is met ingang van vandaag voor alle verkeer gesloten. Foutje, wat nu? Verder doorvaren is onverantwoord. Immers, wat vindt de verzekering daarvan, hoe lang zul je nog geschut worden, wanneer en waar strand je definitief, en vooral voor hoe lang? De volgende middag zijn we er uit. Weg van de rivier en zo snel mogelijk, 20 kilometer zuidelijker, het Canal Bourgogne et Champagne in. We gooien los. Omhoog varend over de rivieren hebben we de afgelopen weken aardig ervaring opgedaan met het uiterst traag tegen de stroom in aanvaren van sluis en brugopeningen. Stroomafwaarts varen op een snelstromende rivier is een ander verhaal. Snelheid houdend op de rivier, om bestuurbaar te blijven, doen we alle moeite takken en boomstammen te omzeilen. Een paar keer moeten we onder een brug door. Alleen door tijdig met voldoende snelheid op het midden van de opening te sturen kunnen we de boot in het gekolk in bedwang houden. Aanleg plaatsen die we een dag eerder nog vlak onder water zagen liggen, blijken inmiddels ver ondergelopen. Als je niet oplet, vaar je tegen de zitbankjes op de kade aan. We blijven maar in het midden. Na anderhalf uur schieten we de toegang tot het kanaal in. De kruiden in de plantenbakken zien er inmiddels na alle regen wel erg verschoten uit. Alleen de aardbeien groeien stevig. Ze worden alleen wel erg waterig. De dagen erna varen we in etappes het kanaal af tot bij de Marne. Nauwelijks 50 kilometer noordelijker dan het Canal de Bourgogne is dit kanaal een verademing. Minder drukte, nauwelijks hotelschepen, nauwelijks verhuur, prima wat ons betreft. Opvallend is de veel betere staat van onderhoud van de sluiscomplexen, de oevervoorzieningen en de bodem van het kanaal. De service gerichtheid van de verantwoordelijken voor dit VNF stuk (Voies Navigable de France)  valt aangenaam op; zo kan het dus ook –een andere divisie vertelt men ons.  Ook op de Marne is er maar één weg mogelijk. Helemaal naar het westen, de Seine kan niet. Ook naar het oosten lukt het niet, het Canal Marne au Rhin is nog steeds afgesloten. Alleen de weg terug via Reims en het Canal lateral a lá Marne en het Canal de Aisne a lá Marne biedt nog perspectief. Al snel liggen we weer, vertrouwd, in Reims. Niet in de haven dit keer maar gewoon aan de wal. Onze “vriend” van de vorige keer zien we in elk geval niet meer. We liggen net aan de steiger waar we de nacht willen doorbrengen als een motorjacht, andere nationaliteit, achter ons aan gaat leggen. Hij is te groot. Zelfs als we het laatste stukje naar voren opschuiven, tot een halve meter van de onbewoonde boot voor ons, past het niet. Met veel misbaar, en vooral stevige krassen op z’n romp schuift hij zich met steven en al tot nauwelijks een decimeter van onze kuiptent, ver boven ons zwemplatform. Als ik hem aan geef dat ie gewoon te groot is begint ie een geweldige scheldpartij. We kiezen voor de meest wijze oplossing en varen maar weg. Ingebouwd voor en achter, maak ik om alle discussie verder uit de weg te gaan, maar even gebruik, in plaats van op te varen in een spring, van de boeg en hekschroef om schadevrij weg te komen. Hoonlachend blijf hij achter. Och, beter eenvoudig weg kunnen varen, al is het minder elegant en wat suffig, dan gekrast en gedeukt je plaats opeisen.    De Maas is nog steeds gestremd zodat we nu westwaarts via de Aisne en de Oise richting het Canal St Etienne en België gaan. Nog steeds blijft de natuur, inmiddels diepgroen, ons verbazen. Zelfs in de meest stedelijke zones treffen we iedere keer opnieuw hoeken en doorkijkjes aan waar je hart van smelt.  Hoogtepunten van vernuft. De Franse hebben in de 18 e  en 19 e  eeuw bij het bevaarbaar maken van hun vaarten en kanalen ware kunstwerken gerealiseerd. Het is natuurlijk niet niets om via heuvels en dalen de stroomgebieden van de belangrijkste rivieren bevaarbaar te maken en onderling te verbinden. Eeuwenlang, liep het belangrijkste doorgaande verkeer niet over landwegen maar via het water. Naast de sluizentrappen, de verschillende schepenliften en een enkel “hellend vlak”, springen vooral de tunnels in het oog. Er gaan veel benauwende verhalen over. Je moet er niet aan denken, een halfronde buis van iets meer dan je scheepsbreedte, met een hoogte bovendeks van soms niet meer dan je eigen kruiphoogte, omgeven door druipend gesteente. Nauwelijks licht te zien aan het eind; te weten dat al die tonnen gesteente op je drukt. Je moet, zeker als er ook nog eens een flauwe bocht in de tunnel zit, niet claustrofobisch zijn ingesteld. Toch raak je er al varend aan gewend. Een messtrakke koers, je blik op oneindig, een half oog, permanent op een denkbeeldige lijn over de naast je liggende muur, een decimeter verder. De eerste tunnels die we “doen” zijn eigenlijk niet meer dan een uit z’n krachten gegroeid viaduct. Allengs nemen we ook kunstwerken van een paar honderd meter, een kilometer of zelfs nog veel meer. Tot wel een uur sukkelen we af en toe door onder de grond; dat alles op eigen kracht. Het kan nog erger. Al voor 1810 bouwden de Fransen de tunnel van Riqueval, 5670 meter lang sleept een elektrische trolleyboot ons door de tunnel met een snelheid van 2,5 kilometer per uur. In onze sleep zijn we gelukkig de enige. Het slingeren van de sleep is als er meerdere jachten en vrachtvaarders achter elkaar worden getrokken berucht. In het uiterste noorden van Frankrijk pakken we de Escaut; de Schelde op. De dagafstanden lopen stroomafwaarts stevig op. Hoewel we bij het schutten niet altijd met de beroepsvaart mee mogen –gevaarlijke lading- liggen we na twee dagen al in Gent. Van de kruiden is inmiddels de helft om het leven gekomen, verdronken in de watervloed. We naderen Hansweert. Terwijl we wachten voor de sluis schuiven een paar grote binnenvaarders naar binnen; nadat de sluismeester de achterste vrachtvaarder vraagt de schroeven uit te zetten kan ook de pleziervaart naar binnen. Voor me worden de eerste jachten al tegen de wand geworpen. Via de marifoon vraag ik de schipper nogmaals om de schroef stil te zetten. Er gebeurt niets, inmiddels worden ook wij tegen de wand aan gekwakt. Als ik er tegen de sluiswachter wat van zeg, is het antwoord dat ik voortaan gewoon moet wachten tot de binnenvaarder klaar is. Les geleerd; “aanwijzingen van het personeel opvolgen” staat er nog op de sluis. Voortaan dus tussen de deuren blijven liggen, wat de sluiswachter ook zegt, tot de beroepsvaart klaar is en de motor uitstaat. Dat ik als jachtschipper helemaal onderaan sta, was me al bekend, maar de verdere pikorde is nu ook duidelijk. Via Sas van Gent en de Westerschelde komen we via Hansweert aan in Bergen op Zoom. Het waait stevig. Voor het eerst in onze reis hebben we onrustig water Een onverwachte golf lanceert ons met stoel en al. Twee dagen later liggen we weer op onze thuisplek aan het Wantij. Het eerste, onderste, deel van de “8” zit erop. We vullen de voorraden aan, schudden het bed op en vertroetelen de planten in onze tuin en hijsen de nieuwe “Vrouw aan Boord” vlag voor we vier weken later weer losgooien. De verwachtingen zijn aardig. Kleinzoon Owen vaart met ons de eerste dagen mee. Al snel is hij vertrouwd met het varen en levert, sturend en aanleggend, volop zijn bijdrage. Via de Noord, Gouwe en Hollandse Ijssel schuiven we iedere dag een stukje verder richting Utrecht. Het is een open deur om voor de zoveelste keer te schrijven hoe mooi de binnenkant van ons land er ook nu weer bij ligt. 40 jaar zilt buitenwater –een blik over de blanke top der duinen en de schuimige einder op zee- heeft me een ernstig vertroebelde tunnelvisie geleverd waar het de schoonheid van onze binnenlanden aan gaat. Wat op de kaart een overmaat aan net haalbare bruggetjes lijkt, blijkt als we er echt voor liggen toch wel een uitdaging. Normaal heb ik altijd voorstellingen van moeilijke stukken die uiteindelijk mee blijken te vallen, dit keer is het toch net andersom. Net Utrecht in, op de kruising van de grachten en singels, aarzel ik; dit gaat nooit lukken. Ik lijk wel een springpaard voor een onneembare hindernis; inhouden, achteruit, nieuwe aanloop, vooruit, aarzeling. Dan heb ik na het raadplegen van kaart en almanak de durf en gaan we. Gelukkig is het, zelfs midden augustus, rustig als we met een toefje motor en redelijk vaak gebruik van roer, boeg en hekschroef de boot strak onder het midden van de verschillende boogbruggen sturen. Ik knijp hem af en toe, maar met hulp van de bewakers in de gangboorden lukt het feilloos.  We doen Utrecht, een eufemisme, en belanden op de Vecht. De nog resterende helft van kruiden en aardbeien lijkt het inmiddels ook wat beter naar hun zin te hebben. De smaak neemt toe, het waterbal gehalte af. Na Owen in Weesp weer afgeleverd te hebben zetten we koers naar Flevoland. Het zoveelste vooroordeel sneuvelt als we de dagen daarna, wederom met volle teugen genietend, door de Nieuwe Wildernis van ons land varen. Alleen het nachtje “Lowlands”, dat contrasteerde wat. Het duurt even voor we door hebben wat er precies achter ons gebeurt. Eeuwen deden rivieren, zeeën, gletsjers en vooral de “mens” er over om het landschap om ons heen vorm te geven. Een van de uitdagingen, als er nieuw landschap “gemaakt” mag worden –zoals bij de inrichting van de Flevopolders-  is de mate waarin je de natuur zijn gang laat gaan tegenover de mate waarin je als mens ingrijpt en stuurt. Wat doe je met de bewust of toevallig overschietende stukken na het voltooien van de hoofdstructuur van wegen en vaarten, de verdeling van dorpen en boerderijen. Begeleid je verwildering, grijp je in of kijk je toe hoe de natuur zichzelf inricht; sturen met je handen in je zakken. Varend door Flevoland lopen we rechtstreeks aan tegen de manier waarop de Wildernis begeleid zijn weg heeft gevonden. Het resultaat is woest, oorspronkelijk en vooral betoverend.    Onze plannen voor de komende weken in het noorden zijn gevarieerd; afspraken, verplichtingen en wensen; net als elders, werk en plezier, wisselen elkaar af waardoor we een slingerpad door het noorden volgen. Het belangrijkste is veel stukken te varen waar we in ons zeilende leven nooit terecht konden komen. Vanuit Genemuiden komen we via het centrum van Meppel aan op de Drentse Hoofdvaart. De nodige sluisjes en vooral de vele fietsmogelijkheden houden ons aardig in beweging. Jeugdsentiment; in 1974 dreigde het einde van de traditionele turfroute van Smilde naar Oldeboarn en Heerenveen. Ooit vervoerden de schippers over deze route –en andere “veenvaarten”- hun turf van de gebieden in Friesland, Drenthe en Duitsland waar het gestoken werd naar de grote steden en havens. Dichtslibben van de vaart en de weggevallen economische noodzaak, maakten dat de vaart in de jaren 70 van de vorige eeuw, bijna gedempt werd. Acties hebben er toe geleid dat het inzicht ontstond dat het toeristisch belang van de vaart met de nodige steun groot kon worden. Zo voorkwam men dat de route verder zou verkommeren. Vrijwilligers zorgen er sindsdien voor dat de route in het zomerseizoen open blijft. “De feart moat bliuwe!”; als (platbodem)zeilster ging de dreigende teloorgang van dit erfgoed me in die tijd –en nog steeds- na aan het hart. Nu de kans zich voordoet willen we het toch eens met eigen ogen meemaken. Na Oldeboarn en Akkrum leidt onze route via Leeuwarden over de Dokkumer Ee naar Lauwersmeer en Groningen. Doorgaande vaarwegen, wisselen we af met kleine vaarten en kanalen. Iedere keer weer slagen we er in de ontmoetingen met de grote beroepsvaart tot het uiterste te beperken. De landschappen wisselen zich af, eigenlijk biedt ieder dag wat nieuws. Er liggen roots van een van ons in de Groningse veenkoloniën. We blijven een paar dagen in Groningen en het Gronings museum. Via Veendam en Stadskanaal leggen we aan op Ter Apel. De weg erheen valt ons tegen. Na de vriendelijkheid die we eigenlijk overal in het Noorden tegen kwamen, is de ontvangst in Stadskanaal kil en onprettig. Zodra het kan –het weekendschema houdt ons tot maandag aan de wal- varen we door. Pas bij Ter Apel ervaren we weer een meer “welkom” gevoel. Achterlangs de Drentse Venen, de Veenvaart,  wordt de dagen erna veel goed gemaakt. Over het roodbruine veenwater, genieten we van het hoogveenlandschap en de entourage van het Veenmuseum. Binnen een paar dagen liggen we weer in Meppel, de kring is rond, voor we weer in de richting van de Randstad gaan. De heenweg via Flevoland beviel goed. We varen nog eens door de wildernis; een andere route. Dan verleggen we onze weg naar het Groene Hart. We raken aan de flank van Amsterdam. Het is verrassend hoe ook op de Amstel het landelijke karakter; de fiets en wandelmogelijkheden, de rust op het water overheersen. De graslanden en rietkragen van “Midden Holland” liggen er door het mooie nazomer nog aantrekkelijk bij. Na Alphen en Leiden –nog meer roots- wordt het tijd op huis aan te gaan. We moeten weer gaan rekenen met de grote scheepvaart om ons heen. Het laatste stuk, Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam, is stedelijk jachtig. Het samenspel met de grote verkeersdeelnemers, de strakkere brug en sluisbediening, vraagt een andere alertheid. Het zijn niet meer de ondiepe wateren en lage bruggen die om aandacht vragen, maar het “geven en nemen” in het “grote”vaarverkeer. Een overtreffende trap; nog meer verkeer, nog scherper opletten. Eenmaal de Parkhaven uit, de Nieuwe Maas op, komen we via de Noord en de “kruising” bij Dordrecht terug op ons Wantij; het bovenste deel van de “8” zit er op. De plantenbakken zijn inmiddels leeg, ze kunnen weer naar huis. Volgend jaar toch maar een loosgaatje boren. Blijft onze versshop in ieder geval in een betere staat.
©Diederique

2016; NW Europa

2016, de eerste grote tocht: een “8” door Noord-West Europa.